d
VERHAAL   HULP VRAGEN


1
B I U
Ik vind het leuk om dingen zelf te doen maar soms is het moeilijk om iets zelf te doen.
Vooral als het iets is wat ik nog niet eerder gedaan heb.
Ik kan boos of verdrietig worden als iets niet lukt.
Ik vind het leuk om dingen zelf te doen maar soms is het moeilijk om iets zelf te doen.
Vooral als het iets is wat ik nog niet eerder gedaan heb.
Ik kan boos of verdrietig worden als iets niet lukt.
2
B I U
Er is niets mis mee als ik eerst wil proberen om het alleen te doen.
Maar als het mij echt niet lukt iets zelf op te lossen dan kan ik hulp vragen.
Er is niets mis mee als ik eerst wil proberen om het alleen te doen.
Maar als het mij echt niet lukt iets zelf op te lossen dan kan ik hulp vragen.
3
B I U
Er zullen genoeg mensen zijn die mij willen helpen want iedereen heeft wel eens hulp nodig van een ander.
Omdat ik probeer hulp te vragen, hoef ik niet boos of verdrietig te worden.
Er zullen genoeg mensen zijn die mij willen helpen want iedereen heeft wel eens hulp nodig van een ander.
Omdat ik probeer hulp te vragen, hoef ik niet boos of verdrietig te worden.
4
B I U
Als mij iets niet alleen lukt, doe ik mijn best om rustig te blijven.
Ik kijk om mij heen en denk na over wie van de mensen om mij heen mij het beste kan helpen.
Als mij iets niet alleen lukt, doe ik mijn best om rustig te blijven.
Ik kijk om mij heen en denk na over wie van de mensen om mij heen mij het beste kan helpen.
5
B I U
In de klas is dit bijvoorbeeld mijn docent of een klasgenoot die naast mij zit.
Thuis kan dit mijn vader of moeder, broer of zus zijn.
Als ik met vrienden ben, weten zij misschien wel een oplossing.
Als ik in een omgeving ben waar ik niemand ken, kan ik een vreemde om hulp vragen.
In de klas is dit bijvoorbeeld mijn docent of een klasgenoot die naast mij zit.
Thuis kan dit mijn vader of moeder, broer of zus zijn.
Als ik met vrienden ben, weten zij misschien wel een oplossing.
Als ik in een omgeving ben waar ik niemand ken, kan ik een vreemde om hulp vragen.
6
B I U
Ik loop naar de persoon toe die ik om hulp wil vragen.
Ik loop naar de persoon toe die ik om hulp wil vragen.
7
B I U
Alleen als ik in de klas zit en de hulp van mijn leerkracht wil dan blijf ik zitten en steek ik mijn vinger op.
Alleen als ik in de klas zit en de hulp van mijn leerkracht wil dan blijf ik zitten en steek ik mijn vinger op.
8
B I U
Ik vertel wat mij niet lukt en ik vraag of diegene wil helpen.
Ik vertel wat mij niet lukt en ik vraag of diegene wil helpen.
9
B I U
Als de ander tijd heeft, is de kans groot dat ik hulp krijg.
Het kan gebeuren dat een ander geen tijd heeft om mij te helpen.
Ik probeer dan rustig te blijven en na te denken over wie mij nog meer kan helpen.
Als de ander tijd heeft, is de kans groot dat ik hulp krijg.
Het kan gebeuren dat een ander geen tijd heeft om mij te helpen.
Ik probeer dan rustig te blijven en na te denken over wie mij nog meer kan helpen.
10
B I U
Het komt ook voor dat een ander ook niet weet hoe het moet.
Door er samen over na te denken, vinden we misschien toch een oplossing.
Het komt ook voor dat een ander ook niet weet hoe het moet.
Door er samen over na te denken, vinden we misschien toch een oplossing.
11
B I U
Ik bedank de ander vervolgens voor de hulp.
Dit doe ik ook als het de ander niet is gelukt om mij te helpen mijn probleem op te lossen.
Ik bedank de ander vervolgens voor de hulp.
Dit doe ik ook als het de ander niet is gelukt om mij te helpen mijn probleem op te lossen.
12
B I U
Mensen vinden het vaak fijn om een ander te helpen.
Ik kan zelf ook andere mensen hulp bieden als zij mij om hulp vragen.
Mensen vinden het vaak fijn om een ander te helpen.
Ik kan zelf ook andere mensen [b]hulp bieden[/b] als zij mij om hulp vragen.