s
STAPPENPLAN   HOE ANALYSEER IK DE (NON)-VERBALE COMMUNICATIE VAN EEN ANDER?


1
B I U
Ik ga oefenen met het begrijpen van de (non)-verbale communicatie van een ander.
Dit doe ik samen met iemand die ik vertrouw.
Ik ga oefenen met het begrijpen van de (non)-verbale communicatie van een ander.
Dit doe ik samen met iemand die ik vertrouw.
2
B I U
Bijvoorbeeld met mijn ouders, mijn mentor of een vriend of vriendin.
Bijvoorbeeld met mijn ouders, mijn mentor of een vriend of vriendin.
3
B I U
Stap 1
A Ik kies een vorm van communicatie die ik wil oefenen.

Bijvoorbeeld: Ik wil graag oefenen met het begrijpen van gezichtsuitdrukkingen wanneer iemand iets zegt.
[b]Stap 1[/b]
A Ik kies een vorm van communicatie die ik wil oefenen.

Bijvoorbeeld: Ik wil graag oefenen met het begrijpen van gezichtsuitdrukkingen wanneer iemand iets zegt.
4
B I U
B Ik kies een situatie die ik niet goed begreep en die ik wil bespreken.

Bijvoorbeeld: Een klasgenoot is boos op mij geworden maar ik begrijp niet waarom. Ik wil proberen de lichaamstaal van mijn klasgenoot te begrijpen.
B Ik kies een situatie die ik niet goed begreep en die ik wil bespreken.

Bijvoorbeeld: Een klasgenoot is boos op mij geworden maar ik begrijp niet waarom. Ik wil proberen de lichaamstaal van mijn klasgenoot te begrijpen.
5
B I U
Of bijvoorbeeld: Mijn docent zei iets tegen mij en ik wil weten of dit een grapje was of dat ik dit letterlijk moet nemen.

(invullen wat ik ga oefenen of welke situatie ik wil bespreken)
Of bijvoorbeeld: Mijn docent zei iets tegen mij en ik wil weten of dit een grapje was of dat ik dit letterlijk moet nemen.

([i]invullen wat ik ga oefenen of welke situatie ik wil bespreken[/i])
6
B I U
Stap 2
A Degene met wie ik oefen, geeft een voorbeeld van de vorm van communicatie die ik wil oefenen.

Bijvoorbeeld: Ik ga gezichtsuitdrukkingen oefenen met mijn broer.
Mijn broer laat een gezichtsuitdrukking zien en zegt hier iets bij.
[b]Stap 2[/b]
A Degene met wie ik oefen, geeft een voorbeeld van de vorm van communicatie die ik wil oefenen.

Bijvoorbeeld: Ik ga gezichtsuitdrukkingen oefenen met mijn broer.
Mijn broer laat een gezichtsuitdrukking zien en zegt hier iets bij.
7
B I U
B Ik leg de situatie uit die ik wil bespreken en ga samen door naar stap 3.

Bijvoorbeeld: Ik wil de situatie van mijn boze klasgenoot met mijn moeder analyseren.
Ik let hierbij op hoe zijn lichaamstaal was.
B Ik leg de situatie uit die ik wil bespreken en ga samen door naar stap 3.

Bijvoorbeeld: Ik wil de situatie van mijn boze klasgenoot met mijn moeder analyseren.
Ik let hierbij op hoe zijn lichaamstaal was.
8
B I U
Of bijvoorbeeld: Samen met mijn mentor probeer ik te analyseren of de opmerking van mijn docent een grapje was of dat ik de opmerking letterlijk moet nemen.
Mijn mentor zei bijvoorbeeld: “Gisteren had ik een geweldige dag! De leerlingen bleven maar vragen aan mij stellen.”
Of bijvoorbeeld: Samen met mijn mentor probeer ik te analyseren of de opmerking van mijn docent een grapje was of dat ik de opmerking letterlijk moet nemen.
Mijn mentor zei bijvoorbeeld: “Gisteren had ik een geweldige dag! De leerlingen bleven maar vragen aan mij stellen.”
9
B I U
Stap 3
A Ik analyseer de voorbeelden van de vorm van communicatie die ik oefen.

Bijvoorbeeld: Ik bekijk de gezichtsuitdrukking die mijn broer mij laat zien.
Ik zeg wat ik denk wat deze gezichtsuitdrukking betekent.
[b]Stap 3[/b]
A Ik analyseer de voorbeelden van de vorm van communicatie die ik oefen.

Bijvoorbeeld: Ik bekijk de gezichtsuitdrukking die mijn broer mij laat zien.
Ik zeg wat ik denk wat deze gezichtsuitdrukking betekent.
10
B I U
B Ik analyseer wat de ander heeft gezegd aan de hand van de situatie die ik wil bespreken.
Om (non-)verbale communicatie te analyseren uit A of B, denk ik na over de volgende punten:
B Ik analyseer wat de ander heeft gezegd aan de hand van de situatie die ik wil bespreken.
Om (non-)verbale communicatie te analyseren uit A of B, denk ik na over de volgende punten:
11
B I U
a. Kan ik wat de ander zei letterlijk nemen?
Of gebruikte hij bijvoorbeeld vormen als beeldspraak, ironie of humor.
b. Was de opmerking positief of negatief bedoeld?
c. Hoe keek de ander erbij toen hij de opmerking maakte?
d. Hoe gebruikte hij zijn stem?
e. Hoe was zijn lichaamshouding?
a. Kan ik wat de ander zei letterlijk nemen?
Of gebruikte hij bijvoorbeeld vormen als beeldspraak, ironie of humor.
b. Was de opmerking positief of negatief bedoeld?
c. Hoe keek de ander erbij toen hij de opmerking maakte?
d. Hoe gebruikte hij zijn stem?
e. Hoe was zijn lichaamshouding?
12
B I U
Stap 4
Ik vertel mijn mentor / moeder wat ik denk dat de ander bedoelde met wat hij zei.
Ik vertel ook waarom ik dat denk.
[b]Stap 4[/b]
Ik vertel mijn mentor / moeder wat ik denk dat de ander bedoelde met wat hij zei.
Ik vertel ook waarom ik dat denk.
13
B I U
Stap 5
Samen met mijn mentor / moeder bespreek ik of het klopt wat ik denk.
[b]Stap 5[/b]
Samen met mijn mentor / moeder bespreek ik of het klopt wat ik denk.
14
B I U
Als het niet klopt, bespreken we samen wat de ander wel bedoelde.
We kunnen daarna een nieuw voorbeeld oefenen. We beginnen dan bij stap 2.
Als het niet klopt, bespreken we samen wat de ander wel bedoelde.
We kunnen daarna een nieuw voorbeeld oefenen. We beginnen dan bij stap 2.