s
STAPPENPLAN   HOE GA IK OM MET VRIENDSCHAP?


1
B I U
Ik ga een afspraak maken met een vriend of vriendin om samen iets te doen.
Ik ga een afspraak maken met een vriend of vriendin om samen iets te doen.
2
B I U
Stap 1
Ik denk na met welke vriend of vriendin ik een activiteit wil doen.
[b]Stap 1[/b]
Ik denk na met welke vriend of vriendin ik een activiteit wil doen.
3
B I U
Bijvoorbeeld: Ik wil een activiteit doen met een klasgenoot.
Ik zie hem wel vaker en ik doe vaker een activiteit met hem samen.
Bijvoorbeeld: Ik wil een activiteit doen met een klasgenoot.
Ik zie hem wel vaker en ik doe vaker een activiteit met hem samen.
4
B I U
Stap 2
Ik denk na over welke activiteit ik graag met de ander wil gaan doen.
Ik probeer er rekening mee te houden dat ik iets verzin dat mijn vriend ook leuk vindt om te doen.
[b]Stap 2[/b]
Ik denk na over welke activiteit ik graag met de ander wil gaan doen.
Ik probeer er rekening mee te houden dat ik iets verzin dat mijn vriend ook leuk vindt om te doen.
5
B I U
Bijvoorbeeld: We gaan van ons zakgeld naar de bioscoop om een nieuwe film te zien.

Of bijvoorbeeld: We gaan samen naar het buurtplein. Mijn vriend vindt het leuk om op het plein te skateboarden. Ik vind het leuk om er naar te kijken.

Of bijvoorbeeld: We gaan samen gamen.

(hier vul ik mijn voorstel voor een activiteit in)
Bijvoorbeeld: We gaan van ons zakgeld naar de bioscoop om een nieuwe film te zien.

Of bijvoorbeeld: We gaan samen naar het buurtplein. Mijn vriend vindt het leuk om op het plein te skateboarden. Ik vind het leuk om er naar te kijken.

Of bijvoorbeeld: We gaan samen gamen.

([i]hier vul ik mijn voorstel voor een activiteit in[/i])
6
B I U
Stap 3
Als ik mijn vriend op school zie, dan vraag ik of hij zin en tijd heeft om iets met mij te gaan doen. Zie ik hem niet, dan kan ik hem bellen of stuur ik een sms-bericht.

Ik vraag bijvoorbeeld: ‘Heb je zin om straks iets met mij te gaan doen? Naar het buurtplein bijvoorbeeld?’

(vraag invullen)
[b]Stap 3[/b]
Als ik mijn vriend op school zie, dan vraag ik of hij zin en tijd heeft om iets met mij te gaan doen. Zie ik hem niet, dan kan ik hem bellen of stuur ik een sms-bericht.

Ik vraag bijvoorbeeld: ‘Heb je zin om straks iets met mij te gaan doen? Naar het buurtplein bijvoorbeeld?’

([i]vraag invullen[/i])
7
B I U
Stap 4
A Mijn vriend zegt dat hij er zin in en tijd voor heeft.
Ik ga naar stap 5.
[b]Stap 4[/b]
A Mijn vriend zegt dat hij er zin in en tijd voor heeft.
Ik ga naar stap 5.
8
B I U
B Mijn vriend zegt dat hij geen tijd of geen zin heeft.
B Mijn vriend zegt dat hij geen tijd of geen zin heeft.
9
B I U
Ik stop met vragen.
Ik vraag het over een dag of twee dagen nog een keer.
Ik stop met vragen.
Ik vraag het over een dag of twee dagen nog een keer.
10
B I U
Stap 5
Ik spreek een tijd en een plaats af.

(invullen tijd en plaats)
[b]Stap 5[/b]
Ik spreek een tijd en een plaats af.

([i]invullen tijd en plaats[/i])
11
B I U
Stap 6
Ik sluit af.

Ik zeg of sms bijvoorbeeld: ‘Tot straks dan!’
[b]Stap 6[/b]
Ik sluit af.

Ik zeg of sms bijvoorbeeld: ‘Tot straks dan!’
12
B I U
Stap 7
Ik ben op de afgesproken tijd op de afgesproken plaats.
Als ik denk dat ik te laat kom, dan bel ik mijn vriend om hem dit te laten weten.
[b]Stap 7[/b]
Ik ben op de afgesproken tijd op de afgesproken plaats.
Als ik denk dat ik te laat kom, dan bel ik mijn vriend om hem dit te laten weten.