Stap 1
Ik vraag mijn broer(tje) en/of zus(je) hoe het met hen gaat.
Bijvoorbeeld: Ik vraag aan mijn zus hoe haar wiskundetoets vandaag is gegaan.
(invullen wat ik vraag)
[b]Stap 1[/b]
Ik vraag mijn broer(tje) en/of zus(je) hoe het met hen gaat.
Bijvoorbeeld: Ik vraag aan mijn zus hoe haar wiskundetoets vandaag is gegaan.
Stap 2
A. Mijn broer(tje) en/of zus(je) reageert op mijn vraag. Ik kan dan een gesprek aangaan. Ik kan meer vragen stellen en hij/zij kan ook vragen aan mij stellen.
[b]Stap 2[/b]
A. Mijn broer(tje) en/of zus(je) reageert op mijn vraag. Ik kan dan een gesprek aangaan. Ik kan meer vragen stellen en hij/zij kan ook vragen aan mij stellen.
B. Mijn broer(tje) en/of zus(je) reageert niet op mijn vraag. Hij of zij kan ook zeggen dat hij geen zin heeft in of geen tijd heeft voor een gesprek. Hij/zij heeft dus geen behoefte aan een gesprek met mij of daar nu geen tijd voor. Ik kan het later nog eens proberen.
B. Mijn broer(tje) en/of zus(je) reageert niet op mijn vraag. Hij of zij kan ook zeggen dat hij geen zin heeft in of geen tijd heeft voor een gesprek. Hij/zij heeft dus geen behoefte aan een gesprek met mij of daar nu geen tijd voor. Ik kan het later nog eens proberen.